aanbidden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bid·den
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanbidden aanbiddend
aanbidding aanbeden
aanbidder aanbiddelijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van bidden met het voorvoegsel aan-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbidden
an.'bɪ.də(n)
aanbad
aanbaden
an.'bɑt
an.'ba.də(n)
aanbeden
an.'be.də(n)
klasse 5 volledig

Werkwoord

aanbidden

  1. (overgankelijk) bidden tot een God of heilige
    In de dienst werd God aanbeden.
  2. (overgankelijk) een persoon op hogere waarde inschatten
    Sporthelden worden door veel mensen aanbeden.
    Vrouwen worden door hun mannen aanbeden.
Synoniemen
Vertalingen