aansluiten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: aansluiten (hulp, bestand)
Woordafbreking
- aan·slui·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aansluiten |
sloot aan |
aangesloten |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
(scheidbaar)
aansluiten
- (ergatief) op elkaar volgen
- (overgankelijk) een verbinding tot stand brengen
- Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk.
- passend maken
- Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht.
- (wederkerend) zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
- Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij.
- (wederkerend) zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft
- Mag ik mij daarbij aansluiten?
Spreekwoorden
- aangesloten zijn: telefoon hebben
Vertalingen
1. op elkaar volgen
2. een verbinding tot stand brengen