aansluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansluiten
sloot aan
aangesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
aansluiten

  1. (ergatief) op elkaar volgen
  2. (overgankelijk) een verbinding tot stand brengen
    Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk.
  3. passend maken
    Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht.
  4. (wederkerend) zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
    Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij.
  5. (wederkerend) zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft
    Mag ik mij daarbij aansluiten?
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • aangesloten zijn: telefoon hebben
Vertalingen