aanpassen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·pas·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanpassen |
paste aan |
aangepast |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
aanpassen
- aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken.
- Nadat de ingang was aangepast konden ook mensen in een rolstoel naar binnen.
- aantrekken om te passen.
- Ik moet de jurk eerst aanpassen, want ik kan zo niet goed zien of die staat.
Vertalingen
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken