aanpassen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanpassen
paste aan
aangepast
zwak -t volledig

Werkwoord

aanpassen

  1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken.
    Nadat de ingang was aangepast konden ook mensen in een rolstoel naar binnen.
  2. aantrekken om te passen.
    Ik moet de jurk eerst aanpassen, want ik kan zo niet goed zien of die staat.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen