aanbevelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbevelen
beval aan
aanbevolen
klasse 4 volledig
Woordafbreking
  • aan·be·ve·len
Woordherkomst en -opbouw
  • gevormd van aan + bevelen

Werkwoord

aanbevelen

  1. (overgankelijk) over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    • iemand bij een ander aanbevelen
    • zich aanbevolen houden voor, belangstelling en interesse hebben voor
  2. (overgankelijk) aanprijzen
    • een auto aanbevelen,
  3. (verouderd) toevertrouwen
    • iemand een geheim aanbevelen
Synoniemen

(1.) recommanderen

Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen