aanvliegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vlie·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvliegen
vloog aan
aangevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

aanvliegen

  1. (ergatief) vliegend naderen
    Er kwam een vlucht wulpen aangevlogen die vlak voor onze neus neerstreek.
  2. (overgankelijk) onstuimig afkomen op
    Onze anders zo vriendelijke hond vloog de inbreker genadeloos aan.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen