aanvliegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·vlie·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanvliegen |
vloog aan |
aangevlogen |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
aanvliegen
- (ergatief) vliegend naderen
- Er kwam een vlucht wulpen aangevlogen die vlak voor onze neus neerstreek.
- (overgankelijk) onstuimig afkomen op
- Onze anders zo vriendelijke hond vloog de inbreker genadeloos aan.