aansporen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| aansporen | aangespoord |
| aansporing | |
Woordafbreking
- aan·spo·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aansporen |
spoorde aan |
aangespoord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aansporen
- (overgankelijk) aanzetten tot een bepaalde actie
- Zij werden aangespoord door de menigte om niet op te geven.