aanspraak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·spraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aanspraak | aanspraken |
| verkleinwoord | aanspraaktje | aanspraaktjes |
Zelfstandig naamwoord
- (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
- de gelegenheid om te praten
Vaste voorzetsels
Aanspraak maken op iets.
- Zijn rechten laten gelden op.