aanbinden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanbinden |
bond aan |
aangebonden |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
aanbinden
- (overgankelijk) met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigen
- Voordat we gaan rijden moeten we de spullen in de laadruimte nog aanbinden.
Synoniemen
Spreekwoorden
- de strijd aanbinden: de strijd beginnen