aanbinden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van binden met het voorvoegsel aan-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbinden
bond aan
aangebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

aanbinden

  1. (overgankelijk) met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigen
    Voordat we gaan rijden moeten we de spullen in de laadruimte nog aanbinden.
Synoniemen
Spreekwoorden
  • de strijd aanbinden: de strijd beginnen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen