plaats
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plaats
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plaats | plaatsen |
| verkleinwoord | plaatsje | plaatsjes |
Zelfstandig naamwoord
plaats v
- plek
- De plaats van het ongeval bleef wekenlang afgespannen met politielint.
- plein
- Ik ontmoette hem op de meest centrale plaats van het dorp.
- dorp of stad (woonplaats).
- De plaats waar hij vandaan kwam, bleef lange tijd een vraagteken voor zijn klasgenoten.
Vertalingen
1.
Bijwoord
plaats
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- plaatsnemen: Hij nam plaats op de voorste rij.
Werkwoord
| vervoeging van |
| plaatsen |
plaats
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
- Ik plaats.
- gebiedende wijs van plaatsen
- Plaats!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
- Plaats je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.