plaats

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaats
enkelvoud meervoud
naamwoord plaats plaatsen
verkleinwoord plaatsje plaatsjes

Zelfstandig naamwoord

plaats v

  1. plek
  2. plein
  3. dorp of stad (woonplaats).
Vertalingen

Bijwoord

plaats

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    plaatsnemen: Hij nam plaats op de voorste rij.

Werkwoord

vervoeging van
plaatsen

plaats

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    Ik plaats.
  2. gebiedende wijs van plaatsen
    Plaats!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    Plaats je?
Persoonlijke instellingen