plaats

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaats
enkelvoud meervoud
naamwoord plaats plaatsen
verkleinwoord plaatsje plaatsjes

Zelfstandig naamwoord

plaats v

  1. plek
    De plaats van het ongeval bleef wekenlang afgespannen met politielint.
  2. plein
    Ik ontmoette hem op de meest centrale plaats van het dorp.
  3. dorp of stad (woonplaats).
    De plaats waar hij vandaan kwam, bleef lange tijd een vraagteken voor zijn klasgenoten.
Vertalingen

Bijwoord

plaats

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    plaatsnemen: Hij nam plaats op de voorste rij.

Werkwoord

vervoeging van
plaatsen

plaats

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    Ik plaats.
  2. gebiedende wijs van plaatsen
    Plaats!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    Plaats je?



Meer informatie

Persoonlijke instellingen