aangorden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·gor·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangorden
gordde aan
aangegord
zwak -d volledig

Werkwoord

aangorden

  1. (overgankelijk) iets met een riem of band om het middel binden
    Hij kan maar beter zijn spullen aangorden.
  2. (overgankelijk) in riemen vastzetten
    De kinderen moeten goed aangegord worden.
Uitdrukkingen en gezegden

zich aangorden.

  1. zich gereedmaken (voor de strijd)
Vertalingen