aangeven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aangeven |
gaf aan |
aangegeven |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
aangeven
- (ditransitief) aanreiken
- Kun je me de afstandsbediening aangeven?
- aanduiden
- Hij gaf de zaken die hij besprak aan op het beeldscherm met een laserstokje.
- een gezocht persoon bij de authoriteiten melden
- De vrouwenmishadelaar werd door de buren aangegeven.
Uitdrukkingen en gezegden
- de toon aangeven
de leider zijn
Vertalingen
1. aanreiken
2. aanduiden