aanrichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·rich·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrichten
richtte aan
aangericht
zwak -t volledig

Werkwoord

aanrichten

  1. (overgankelijk) veroorzaken, met name van schade
    Die oplichter heeft al veel schade aangericht.
Vertalingen