aanmoedigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanmoedigen aanmoedigend
aanmoediging -
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·moe·di·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmoedigen
moedigde aan
aangemoedigd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanmoedigen

  1. (overgankelijk) moed inspreken
    De jongen kwam zijn kleine broertje aanmoedigen bij de voetbalwedstrijd.
Antoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen