aanboren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bo·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van boren met het voorvoegsel aan-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanboren
boorde aan
aangeboord
zwak -d volledig

Werkwoord

aanboren

  1. (overgankelijk) met een boor bereiken
    Om de druk op de oliemarkt enigszins te verlichten boorde een het oliebedrijf een nieuwe oliebron aan.
  2. (overgankelijk) een voorraad gaan gebruiken
    Nu ze vijf dagen ingesneeuwd zaten, moesten ze hun voorraad soep uit een pakje aanboren.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen