aanboren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·bo·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanboren |
boorde aan |
aangeboord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aanboren
- (overgankelijk) met een boor bereiken
- Om de druk op de oliemarkt enigszins te verlichten boorde een het oliebedrijf een nieuwe oliebron aan.
- (overgankelijk) een voorraad gaan gebruiken
- Nu ze vijf dagen ingesneeuwd zaten, moesten ze hun voorraad soep uit een pakje aanboren.