aanstoot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·stoot
enkelvoud meervoud
naamwoord aanstoot aanstoten
verkleinwoord aanstootje aanstootjes

Zelfstandig naamwoord

aanstoot m

  1. een ergernis
    Zit toch niet zo'n aanstoot te geven!

Werkwoord

vervoeging van
aanstoten

aanstoot

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
    ... dat ik aanstoot.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
    ... dat jij aanstoot.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
    ... dat hij aanstoot.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen