aanhalen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanhalen |
haalde aan |
aangehaald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aanhalen
- (overgankelijk) middels vleierij of vriendelijkheid nader tot zich doen komen
- 's Avonds kunnen we onze kat wel aanhalen en komt hij zelfs bij ons op de bank liggen.
- (overgankelijk) eigen of andermans woorden citeren
- (overgankelijk) aanspannen, aantrekken
- Vlaamse commerciële zender moet de buikriem fors aanhalen.
- (overgankelijk), (figuurlijk) hechter maken
- India wil de banden met Iran aanhalen.
Uitdrukkingen en gezegden
- [3] de teugels aanhalen
Vertalingen
2. eigen of andermans woorden citeren