op
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | op | |
| persoonlijk | erop | |
| aanwijz. | nabij | hierop |
| veraf | daarop | |
| vragend/betrekk. | waarop | |
Bijwoord
op
- de bijwoordelijke vorm van het voorzetsel op, met dezelfde betekenisssen:
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord.
- De temperatuur liep op.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- Die naam staat er al jaren op.
- omhoog
Afgeleide begrippen
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | op |
| verbogen | (alleen predicaat) |
Bijvoeglijk naamwoord
op
- volledig verbruikt:
- Het eten is op.
- uitgeput, zonder energie
- Na die dag wandelen in de bergen was hij echt op.
- uit bed
- Was je al op of bel ik je uit bed?
Voorzetsel
op
- aan de bovenkant aanrakend, rustend op: brood op tafel, een schip op zee, letters op een bordje
- in de buurt van: dicht op elkaar
- gelijktijdig met: op dat moment
- op enig moment gedurende: op een dag
- dragend als schoeisel: op blote voeten, op voetbalschoenen
- met gebruik van: Deze auto rijdt op diesel
- per (als bepaling van verhouding): 15 op de 100, de auto rijdt 1 op 10. mijl op zeven
- Negen op de tien Belgen sorteert zijn afval en twee op drie koopt energiezuinige producten.
- met een specifieke waarde: de thermometer staat op 10 graden
- op de manier: op de rem rijden, zich op zijn gemak voelen
Opmerkingen
- op een moement, maar: in een periode
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
- op korte termijn
- op termijn
Vertalingen
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
Vertalingen
op korte termijn
op termijn
Deens
Uitspraak
Woordafbreking
- op
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudnoorse woord upp.
Bijwoord
op