Uit WikiWoordenboek
-
- op
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- de temperatuur liep op
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- die naam staat er al jaren op
- omhoog
- volledig verbruikt:
- Het eten is op.
- uitgeput, zonder energie
- uit bed
-
- aan de bovenkant aanrakend, rustend op: op de tafel, op zee
- in de buurt van: dicht op elkaar
- gelijktijdig met: op dat moment
- op enig moment gedurende: op een dag
- dragend als schoeisel: op blote voeten, op voetbalschoenen
- met gebruik van: Deze auto rijdt op diesel
- per (als bepaling van verhouding): 15 op de 100, de auto rijdt 1 op 10
- met een specifieke waarde: de thermometer staat op 10 graden
- op de manier: op de rem rijden, zich op zijn gemak voelen
aan de bovenkant aanrakend, rustend op
omhoog