aankunnen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ˈaŋˌkʏnə(n)/
Woordafbreking
- aan·kun·nen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aankunnen |
kon aan |
aangekund |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
aankunnen
- (overgankelijk) iemand de baas kunnen zijn
- Hij had zijn oudere broertje nooit aangekund, maar was nu duidelijk de sterkere.
- (overgankelijk) een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
- Vorig jaar had ze deze dure jurk nog aangekund, maar nu was die volledig uit de mode.
Opmerkingen
- Hoewel het werkwoord een voorwerp regeert, ontbreken lijdende vormen geheel.
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: iets aankunnen
Vertalingen
1. iemand de baas kunnen zijn
een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
|