aanvoer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·voer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aanvoer | aanvoeren |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
aanvoer m
aanvoer-
- voor aanvoer dienend
Verwante begrippen
- wateraanvoer
- aanvoerbuis, aanvoerder, aanvoerdersband, aanvoerderschap, aanvoerhaven, aanvoering, aanvoerlijn, aanvoerroute, aanvoerster, aanvoerweg
- aanvoeren
Vertalingen
1. het aanbrengen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanvaren |
aanvoer
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanvaren
- ... dat ik aanvoer.
- ... dat jij aanvoer.
- ... dat hij, zij, het aanvoer.
- ... dat ik aanvoer.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanvoeren |
aanvoer
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvoeren
- ... dat ik aanvoer.