aantrekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: aantrekken (hulp, bestand)
Woordafbreking
- aan·trek·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aantrekken |
trok aan |
aangetrokken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
aantrekken
- (overgankelijk) een kracht uitoefenen die zaken naar zich toe doet bewegen
- De magneet trekt alle ijzerdeeltjes aan.
- (overgankelijk) aanlokken
- (overgankelijk) vaster doen sluiten
- (overgankelijk) iets ~: kleding aandoen
- Ik ga even iets anders aantrekken.
- (ergatief) een stijgende lijn vertonen
- De economie trok vorig kwartaal flink aan.
- (wederkerend) zich ~ van: zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
- Hij trok zich niets aan van die hoge boete en ging door met veel te hard te rijden.
Vertalingen
1. een kracht uitoefenen die zaken naar zich toe doet bewegen