aantrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantrekken
trok aan
aangetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

aantrekken

  1. (overgankelijk) een kracht uitoefenen die zaken naar zich toe doet bewegen
    De magneet trekt alle ijzerdeeltjes aan.
  2. (overgankelijk) aanlokken
    De zoete geur trok veel wespen aan.
  3. (overgankelijk) vaster doen sluiten, vastzetten
    Hij trok de handrem goed aan.
  4. (overgankelijk) iets ~: kleding aandoen
    Ik ga even iets anders aantrekken.
  5. (ergatief) een stijgende lijn vertonen
    De economie trok vorig kwartaal flink aan.
  6. (wederkerend) zich ~ van: zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
    Hij trok zich niets aan van die hoge boete en ging door met veel te hard te rijden.
  7. (wederkerig) elkaar ~ een attractieve wisselwerking ondergaan
    Volgens de wet van de zwaartekracht trekken twee massa's elkaar aan.
Vertalingen