tegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- te·gen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
Voorzetsel
tegen
- zijdelings aanleunend
- De fiets staat tegen de deur.
- oneens met, ter bestrijding van
- Er is geen middel tegen deze ziekte.
- Het raadslid stemde tegen het voorstel.
- voor of omstreeks een bepaalde tijd
- We gingen tegen de ochtend naar huis.
- Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam.
- Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren.
- de ontvangende persoon van een boodschap: aan
- Ik heb het tegen je gezegd.'
- voor de prijs van
- Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | tegen | |
| persoonlijk | ertegen | |
| aanwijz. | nabij | hiertegen |
| veraf | daartegen | |
| vragend/betrekk. | waartegen | |
Bijwoord
tegen
- (predicatief) oneens, negatief
- Bent u voor of tegen?
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- tegenspreken: Hij sprak deze bewering tegen.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- daartegen: Daar is een goed middel tegen.
Afgeleide begrippen
- voorzetsels/bijwoorden
- samengestelde werkwoorden:
- zelfstandig naamwoorden:
- bijvoeglijk naamwoorden:
Spreekwoorden
- Daar is geen kruid tegen gewassen.
- Dat is hopeloos; daar bestaat geen middel tegen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tijgen |
tegen
- meervoud verleden tijd van tijgen
- Wij tegen.
- Jullie tegen.
- Zij tegen.
- Wij tegen.