aanstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·stel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstellen
stelde aan
aangesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanstellen

  1. (overgankelijk) iemand ~ tot: benoemen
    Hij werd aangesteld tot bestuurder.
  2. (wederkerend) zich ~: zich overdreven gedragen, onecht doen
    Ach, stel je niet zo aan!
Vertalingen