aanbouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanbouwen |
bouwde aan |
aangebouwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aanbouwen
- (overgankelijk) ergens iets tegenaan bouwen
- Zij lieten bij hun huis een garage aanbouwen.