aanbouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van bouwen met het voorvoegsel aan-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbouwen
bouwde aan
aangebouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbouwen

  1. (overgankelijk) ergens iets tegenaan bouwen
    Zij lieten bij hun huis een garage aanbouwen.
Vertalingen