spiegel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Obama kijkt in de spiegel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spie·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Volkslatijnse *spęgọlọ, klassiek speculum ("spiegel")
enkelvoud meervoud
naamwoord spiegel spiegels
verkleinwoord spiegeltje spiegeltjes

Zelfstandig naamwoord

spiegel m

  1. (natuurkunde), (optica) voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing" [1]
    Hij zag in zijn spiegel een achteropkomende auto aankomen.
  2. (scheepvaart) de vlakke achtersteven van een schip
    De buitenboordmotor is aan de spiegel van het jacht bevestigd.
  3. (biologie) (medisch) concentratie van bepaalde stoffen in het bloed
  4. spiegelglad oppervlak (bijv. -> zeespiegel)
  5. een overzicht bijv. beroepenspiegel, medaillespiegel etc.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spiegelen

spiegel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiegelen
    Ik spiegel.
  2. gebiedende wijs van spiegelen
    Spiegel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiegelen
    Spiegel je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl