aandeel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·deel
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van het werkwoord 'aendelen' [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aandeel | aandelen |
| verkleinwoord | aandeeltje | aandeeltjes |
Zelfstandig naamwoord
aandeel o
- (economie) waardepapier dat de mede-eigendom in het vermogen van een onderneming bewijst
- Mijn vader heeft een aandeel in dat bedrijf.
- persoonlijk aandeel in gemeenschappelijke handelingen of in gemeenschappelijk bezit
- Haar aandeel in deze opdracht was van groot belang.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
- aandeel hebben in
Vertalingen
1. waardepapier
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aandeel | aandele |
Zelfstandig naamwoord
aandeel