aankleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van kleden met het voorvoegsel aan-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankleden
kleedde aan
aangekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

aankleden:

  1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
    We kunnen de vergelijking aankleden met een voorbeeld uit de praktijk.
  2. iemand kleren aandoen
    In de Amerikaanse stad New Jersey heeft een familie hun zelfgemaakte naakte sneeuwvrouw moeten aankleden nadat ze klachten hadden gekregen van de buren.
  3. (wederkerend) zich ~: zijn kledij aantrekken
    Zij was bezig zich aan te kleden.
Vertalingen