aankleden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aankleden |
kleedde aan |
aangekleed |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aankleden:
- meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
- We kunnen de vergelijking aankleden met een voorbeeld uit de praktijk.
- iemand kleren aandoen
- In de Amerikaanse stad New Jersey heeft een familie hun zelfgemaakte naakte sneeuwvrouw moeten aankleden nadat ze klachten hadden gekregen van de buren.
- (wederkerend) zich ~: zijn kledij aantrekken
- Zij was bezig zich aan te kleden.
Vertalingen
1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien