aanwezig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·we·zig
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | aanwezig |
| verbogen | aanwezige |
Bijvoeglijk naamwoord
aanwezig
- tegenwoordig zijn, er zijn (van mensen)
- Het aanwezige publiek was dolenthousiast.
- ter beschikking zijn, voorhanden zijn (van dingen)
- Alle vormen van speelplezier zijn aanwezig.