aanpalend
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·pa·lend
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | aanpalend |
| verbogen | aanpalende |
Bijvoeglijk naamwoord
aanpalend
- aangrenzend, direct gelegen naast
- Het vuur was overgeslagen naar twee aanpalende gebouwen.