goed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: goed
Oudnederlands: guot
Germaans: *gōdaz
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: good (Angelsaksisch: gōd), Duits: gut, (Oudhoogduits: guot), Fries: goed (Oudfries: gōd)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: god, (Oudnoords: góðr), IJslands/Faeröers: góður
Oost: Gotisch: goþs
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed beter best
verbogen goede
goeie
betere beste
partitief goeds beters -

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. kwaliteit bezittend
    • Wat een goed stuk om te lezen! 
Antoniemen


Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord goed goederen
verkleinwoord goedje goedjes

Zelfstandig naamwoord

goed o

  1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
    • Gezondheid is een groot goed. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

goed

  1. op goede wijze
    • Goed gedaan! 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • goedvinden: hij vond het goed. 
  3. in hoge mate
    • Het is goed mis in Nederland. 
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Net zo goed.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie