juist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • juist
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘billijk, correct’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1337 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen juist juister (juistst) *
verbogen juiste juistere (juistste) *
partitief juists juisters -

Bijvoeglijk naamwoord

juist

  1. zoals het moet, waar
    • Momenteel is bijna een kwart van de diagnoses die gesteld worden bij patiënten die nog leven, niet juist. [2] 
     Een aantal jongens had voor vertrek magic mushrooms genomen om de nacht nog magischer te maken. Ze genoten van hun psychedelische trip en vertelden uitgebreid over alle mooie kleuren die ze zagen. Een van hen werd echter al snel zo high dat hij de verkeerde kant op liep. So it Goes leidde hem weer de juiste kant op.[3]
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest juist(e)" worden gebruikt.[4][5]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

juist

  1. daarnet, daarstraks, zopas, net, zo-even, zojuist, zonet
  2. in tegenstelling tot het vooraf genoemde
     Ze maakten uitgebreid filmpjes en juichten bij elke donderslag terwijl ik juist dieper in mijn slaapzak kroop. Ik voelde me klein en uiterst kwetsbaar.[3]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen