goedmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
goedmaken
maakte goed
goedgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

goedmaken

  1. overgankelijk een oorzaak van wrevel of onvrede wegnemen
    • Ze hebben het gelukkig weer goedgemaakt. 
  2. overgankelijk financieel compensatie aanbieden
    • Ik zal het je goedmaken. Wat dacht je van 10% van de opbrengst? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.