goedzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een goedzak van een hond die met zich laat doen
Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord goedzak goedzakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

goedzak m [2]

  1. een te aardige en te vriendelijke iemand
    • Er is wel een sanctie op wanbetalen, dus meer dan zes maanden achterstallig blijven, maar dat is een financiële sanctie. Je komt als wanbetaler in een soort verzwaard regime terecht, waarin je juist méér premie moet betalen. Je krijgt gewoon een boete. Raar. De oplossing is een aanpak waarin je als premiebetaler net hebt gefaald. Wie nijpend geldgebrek heeft en niet betaalt, herkent het zorgstelsel als een goedzak: je blijft namelijk verzekerd! Dus wie het ene financiële gat met het andere moet dichten en moet kiezen: wie betaal ik? De woningcorporatie? Het waterbedrijf? Of de zorgverzekeraar? Die betaalt z’n verzekeraar als laatste.[3] 
    • De collie hing met zijn kop en voorpoten in een vertakking en zijn gewicht had de vacht van zijn voorhand hoog opgestroopt. Hij was niet verminkt, zelfs niet zichtbaar geschonden, en die gaafheid gaf het kadaver juist iets lugubers, alsof het elk moment zijn ogen zou kunnen opendoen en blaffen. `Is dat Fledder?' vroeg Grim, hoewel hij het antwoord al wist. Ja, dat is hem: zuchtte Stefan, uit het veld geslagen. Hoe moest hij dit thuis gaan vertellen? Fledder was onderdeel van zijn gezin. Ze waren allemaal dol geweest op die goedzak, niet alleen Jolanda en hij, maar ook de jongens. Het leek allemaal zo zinloos. Pieter klopte hem op de rug, een simpel gebaar dat Stefan op dat moment van emotionele verslagenheid evengoed roerde als sterkte.[4]  
  2. iemand die te dik is
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen