speelgoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speel·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord speelgoed -
verkleinwoord speelgoedje speelgoedjes

Zelfstandig naamwoord

speelgoed o

  1. (speelgoed) één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
    • Door de brand was ook al het speelgoed van de kinderen verloren gegaan. 
     Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.[1]
Opmerkingen
  • Het woord is een collectivum; een specifiek enkelvoud wordt gevormd met "stuk": een stuk speelgoed.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11