Naar inhoud springen

boa

Uit WikiWoordenboek
  • boa
enkelvoud meervoud
naamwoord boa boa's
verkleinwoord boaatje boaatjes

[A] de boam

  1. (reptielen) wurgslang uit de onderfamilie Boinae op Wikispecies, sommige soorten kunnen erg lang worden
     Met het lichaam in een knoop die zelfs voor een boa een pittige opgave zou zijn.[3]
  2. (kleding) slinger van vogelveren, bont of zachte stof die door vrouwen om hals en schouders wordt gedrapeerd als onderdeel van feestelijke kleding
     De oranje boa is van Sonia Rykiel, die heb ik in het begin van het millennium in Parijs gekocht.[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord boa boa's
verkleinwoord

[B] de boam

  1. (juridisch) (Nederland) iemand met vanwege zijn functie de wettelijk bevoegdheid heeft gekregen om mensen aan te houden en te bekeuren die bepaalde wettelijke bepalingen overtreden
     Vroeger had Nederland de veldpolitie en het buitengebied was haar exclusieve werkterrein. Door wijzigingen in de politieorganisatie is deze tak van de politie uit het buitengebied verdwenen. Het toezicht wordt nu onder meer gedaan door een groot korps vrijwilligers, onder wie veel jagers en lokale jagersverenigingen, samen met buitengewoon opsporingsambtenaren. Anders dan de veldpolitie heeft de boa minder bevoegdheden, tijd en middelen om op te treden tegen criminaliteit. Op vormen van georganiseerde stroperij is de boa niet toegerust.[5]
    1. (ordehandhaving) (beroep) iemand die namens de gemeente optreedt tegen wangedrag in de openbare ruimte
       Zodra de boa’s het pleintje opreden, waren de jongens op hun scooters via het trottoir weggeracet.[6]
       Matthijs en Bryan zijn buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in de openbare ruimte. Hun taak: de leefbaarheid op straat handhaven. Ze mogen bekeuringen uitdelen voor wildplassen, fout parkeren, alcohol drinken op straat of afval neerzetten op een verkeerde plek. Ze zijn niet verantwoordelijk voor veiligheid en openbare orde: dat is het werk van de politie.[7]
95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[8]
  1. boa op website: Etymologiebank.nl
  2. "boa" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2020 Weblink bron
    Arjen Fortuin
    “Zelfs pittig voor een boa” (17 juni 2017) op nrc.nl op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2020 Weblink bron
    Milou van Rossum
    “Kijk in de kledingkast van Fashion Week-directeur Iris Ruisch” (7 januari 2017) op nrc.nl op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2020 Weblink bron
    Laurens Hoedemaker geciteerd door Arjen Schreuder
    “Zonder pistool durft de boswachter het bos niet in” (19 augustus 2015) op nrc.nl op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2020 Weblink bron
    Martin Kuiper & Elsje Jorritsma
    “De boa heeft nog niet zoveel te handhaven” (24 maart 2020) op nrc.nl op Wikipedia
  7. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2020 Weblink bron
    Thijs Niemantsverdriet
    “Niet drinken, wél blowen. Dat is lastig uit te leggen” (28 februari 2019) op nrc.nl op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • IPA: /'bəʊə/
enkelvoud meervoud
boa boas

boa

  1. (reptielen) boa


  • bo·a
enkelvoud meervoud
boa boas

boa v

  1. (reptielen) boa