gemeengoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·meen·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemeengoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemeengoed o

  1. publiek eigendom
    De straatlantaarns zijn gemeengoed.
  2. iets dat iedereen heeft, doet of vindt
    Dat we iets aan het broeikaseffect moeten doen is gemeengoed, er daadwerkelijk iets aan doen veel minder
Synoniemen
  1. staatsbezit, staatseigendom