gemeengoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·meen·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemeengoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemeengoed o

  1. publiek eigendom
    • De straatlantaarns zijn gemeengoed. 
  2. iets dat iedereen heeft, doet of vindt
    • Dat we iets aan het broeikaseffect moeten doen is gemeengoed, er daadwerkelijk iets aan doen veel minder 
Synoniemen
  1. staatsbezit, staatseigendom

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.