goedgelovig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·ge·lo·vig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goedgelovig goedgeloviger goedgelovigst
verbogen goedgelovige goedgelovigere goedgelovigste
partitief goedgelovigs goedgelovigers -

Bijvoeglijk naamwoord

goedgelovig

  1. te veel vertrouwen hebbend

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.