stukgoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

vrachtgoed anno 1920
Uitspraak
Woordafbreking
  • stuk·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stukgoed stukgoederen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stukgoed o [2]

  1. goederen waarvan men de hoeveelheid uitdrukt in aantal en niet in maat of gewicht
    • De sterkste stijging tekende de haven op in de sector van het conventionele stukgoed: 8,3 procent. Dat heeft vooral te maken met de toename van de overslag van staal. Die activiteit steeg met 14,7 procent. Protectionistische maatregelen hebben tot nu toe geen invloed op de volumes, stelt het havenbedrijf vast. Vloeibaar massagoed daalde met 1,2 procent.[3] 
    • "Het gaat om stukgoed dat via het internet wordt aangeboden. Als je nog ruimte hebt in je wagen, dan kijk je online of er nog wat lading beschikbaar is. Een normale gang van zaken. Hij kreeg deze vracht voor een normale prijs. Dus geen bedrag waar je van kunt weten: hier klopt iets niet.[4] 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. stukgoed op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 18/04/2017 door Ruben Mooijman
  4. Tubantia Lucien Baard 14-09-17
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be