ingoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·goed
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ingoed
verbogen ingoede
partitief ingoeds

Bijvoeglijk naamwoord

ingoed

  1. buitengewoon vriendelijk en rechtschapen
    • Carina is geheel naar verwachting beeldschoon, ingoed en hoogst begaafd, maar ook al dertig jaar oud. [1]
Opmerkingen

Er bestaat geen vergrotende of overtreffende trap, maar er is wel een nog verder versterkte vorm: in- en ingoed.

Verwante begrippen

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen