vergoeden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·goe·den
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van goed met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vergoeden
vergoedde
vergoed
zwak -d volledig

Werkwoord

vergoeden

  1. ditransitief iemand iets ~: aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
    • Hij kreeg die schade niet vergoed door de verzekering, omdat hij er zelf debet aan was. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.