correct

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·rect
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen correct correcter correctst
verbogen correcte correctere correctste

Bijvoeglijk naamwoord

correct [2]

  1. foutloos, goed
    • Hij had een 10 voor zijn proefwerk want al zijn antwoorden waren correct. 
  2. burgerlijk, saai, onberispelijk uit moreel oogpunt, zonder af te wijken van de etiquette, politiek correct
    • Een notaris moet altijd correct gekleed zijn. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen