correct

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·rect
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘juist’ voor het eerst aangetroffen in 1553 [1]
  • afgeleid van het Franse 'correct' (juist) (met het voorvoegsel cor-) [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen correct correcter correctst
verbogen correcte correctere correctste

Bijvoeglijk naamwoord

correct [3]

  1. foutloos, goed
    • Hij had een 10 voor zijn proefwerk want al zijn antwoorden waren correct. 
  2. burgerlijk, saai, onberispelijk uit moreel oogpunt, zonder af te wijken van de etiquette, politiek correct
    • Een notaris moet altijd correct gekleed zijn. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen