correct

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·rect
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen correct correcter correctst
verbogen correcte correctere correctste

Bijvoeglijk naamwoord

correct [2]

  1. foutloos, goed
    Hij had een 10 voor zijn proefwerk want al zijn antwoorden waren correct.
  2. burgerlijk, saai, onberispelijk uit moreel oogpunt, zonder af te wijken van de etiquette, politiek correct
    Een notaris moet altijd correct gekleed zijn.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal