witgoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wit·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord witgoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

witgoed o

  1. (kleding) wit gekleurde kleding
    • Heb jij nog witgoed voor in de was? 
  2. (elektronica) elektrische huishoudelijke apparatuur, waarvan de kleur oorspronkelijk vaak wit was
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be