strijkgoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strijk·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strijkgoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strijkgoed o

  1. Het textiel dat nog gestreken moet worden.
    Tante Sidonia blijft thuis omdat ze nog voor drie weken strijkgoed heeft.