landgoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landgoed landgoederen
verkleinwoord landgoedje landgoedjes

Zelfstandig naamwoord

landgoed o

  1. een groot landhuis met een uitgestrekt gebied dat als één geheel beheerd wordt, meestal door de landgoedeigenaar
Afgeleide begrippen