landgoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landgoed landgoederen
verkleinwoord landgoedje landgoedjes

Zelfstandig naamwoord

landgoed o

  1. een groot landhuis met een uitgestrekt gebied dat als één geheel beheerd wordt, meestal door de landgoedeigenaar
     Ik liet mijn blik waren over het landgoed dat het hotel omgordde.[1]
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 13