beter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ter
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

beter

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van goed
    • Het weer is vandaag zo slecht dat het morgen vast beter zal zijn. 
  2. gezond na ziekte
    • Ik denk dat ik morgen beter ben, maar vandaag ben ik nog ziek. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beteren

beter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beteren
    • Ik beter. 
  2. gebiedende wijs van beteren
    • Beter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beteren
    • Beter je? 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen