evengoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • even·goed
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

evengoed [1]

  1. toch
    • Hij kan evengoed gaan zwemmen, ook al heeft hij een grote wond op zijn been. 
    • Maar evengoed kan het gevaarlijk zijn in de Vallei der Dwaasheid. Zou je daarom eigenlijk wel meegaan? Jij bent veel te mooi om gevaar te lopen. Ik ben een mens, ik kan meer hebben dan jij.' [2] 
  2. al met al
    • Evengoed is uitgerekend nu moed vereist om Poetin (en Trump) te antwoorden met daden van de EU. Nederlandse politici zijn zoals bekend erg goed in grote woorden, minder in actie, maar juist die combinatie zou nu een vergissing zijn. [3] 
  3. ook
    • We kunnen evengoed nog wat boodschappen gaan doen als we onvoldoende in huis hebben. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 115
  3. NRC Tom-Jan Meeus 12 december 2016