kwaad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwaad
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kwaad kwader kwaadst
verbogen kwade kwadere kwaadste
partitief kwaads kwaders -

Bijvoeglijk naamwoord

kwaad

  1. onaangenaam, ongunstig
    • Ik wil geen kwaad woord over hem horen. 
    • Alles ging goed, totdat het op een kwade dag fout ging. 
  2. tegen de moraal
    • Hij had kwade bedoelingen. 
  3. woedend, boos
    • Hij werd kwader en kwader totdat hij ten slotte ontplofte. 
    • Hij is kwaad op hem. 
    • Wanneer iemand kwaad is wordt dat gezien als een graadje erger na boos zijn. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord kwaad kwaden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kwaad o

  1. kwade, boze
  2. iets dat tegen de moraal is
  3. nadeel
    • Even nadenken over de mogelijke effecten had wellicht ook geen kwaad gekund. 
  4. ongeluk, pech
Uitdrukkingen en gezegden

Dat kan geen kwaad.

Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl