gedachtegoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dach·te·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedachtegoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gedachtegoed o

  1. het geheel van denkbeeld eigen aan iets of iemand
    • Dat kwam regelrecht uit het gedachtegoed van Freud. 

Gangbaarheid