mooi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mooi
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘fraai, bevallig’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: moy, mooy
Oudnederlands: mōi
Germaans: *mawjaz (schoon, gewast)
Indo-Europees: *mou-io- (gewast)
  • Verwant in Germaans:
Fries: moai [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mooi mooier mooist
verbogen mooie mooiere mooiste
partitief moois mooiers -

Bijvoeglijk naamwoord

mooi

  1. (Noord-Nederland) prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon.
    • Ze heeft een erg mooi gezichtje. 
     Het was jammer dat ik nu niet goed in mijn vel zat, aangezien de trail steeds mooier werd.[3]
  2. (Noord-Nederland) prettig, aangenaam
    • Het is mooi weer vandaag. 
  3. goed
     Ik vond het mooi om te zien dat ze mijn situatie begreep en een onderscheid kon maken tussen hoofd- en bijzaak.[3]
     Na tien jaar met de kinderen was het een mooie gelegenheid voor haar om even iets alleen te doen.[3]
  4. (Noord-Nederland) (ironisch) onaangenaam, te ver gaand.
    • Nou wordt 'ie mooi! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • er zit een mooie tijd aan te komen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

mooi

  1. mooi


Veluws

Bijvoeglijk naamwoord

mooi

  1. mooi