leeggoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leeg·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leeggoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leeggoed o

  1. de verpakking waarvoor geld wordt betaald en men terugkrijgt bij inleveren van die verpakking
    • Je moet voor leeggoed € 0,25 betalen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.