fout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fout
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebrek, misslag’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fout fouter foutst
verbogen foute foutere foutste
partitief fouts fouters -

Bijvoeglijk naamwoord

fout

  1. onjuist, incorrect, niet goed, foutief, verkeerd
    • Het antwoord is fout. 
  2. (informeel) niet volgens de in een groep of land geldende normen of moraal;
    • Hele foute muziek. 
  3. aan de kant van de as-mogendheden in de Tweede Wereldoorlog
    • Zijn vader was fout. 
Verwante begrippen
Vertalingen


Bijwoord

fout

  1. onjuist, verkeerd
    • Hij heeft het fout gedaan. 
enkelvoud meervoud
naamwoord fout fouten
verkleinwoord foutje foutjes

Zelfstandig naamwoord

fout v

  1. vergissing, onjuistheid
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen