fout

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fout
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fout (fouter) (foutst)
verbogen foute (foutere) (foutste)

Bijvoeglijk naamwoord

fout

  1. onjuist, incorrect, niet goed;
    Het antwoord is fout.
  2. (informeel) niet volgens de in een groep of land geldende normen of moraal;
    Hele foute muziek.
  3. aan de kant van de as-mogendheden in de Tweede Wereldoorlog
    Zijn vader was fout.

Bijwoord

fout

  1. onjuist, verkeerd
    Hij heeft het fout gedaan.
enkelvoud meervoud
naamwoord fout fouten
verkleinwoord foutje foutjes

Zelfstandig naamwoord

fout v

  1. vergissing, onjuistheid
Vertalingen